Europa is op een bijzondere manier gegroeid en ontwikkeld. Veel Europeanen geloven dat hun vooruitgang vooral te danken is aan hoe efficiënt en goed ze werken. Wanneer ze andere delen van de wereld zien—vaak ver weg van het Westen—vinden ze de gewoontes daar vaak “exotisch” en interessant. Ze proberen graag iets nieuws, maar zodra ze de armoede zien, voelen ze medelijden en keren terug naar huis met het idee dat mensen in die landen wel gelukkig lijken, maar arm zijn omdat ze “niet weten hoe het moet”.Het historische bewustzijn in Europa is beperkt en wordt op school vooral verteld vanuit het perspectief van de winnaars. In Spanje bijvoorbeeld valt de nationale feestdag, de Dag van de Hispanidad, precies op de dag dat Columbus aankwam in Amerika—landen die later gekoloniseerd werden. Ik heb vaker gesprekken gehad met Spanjaarden die, zonder veel uitleg, overtuigd zijn dat hun komst naar Amerika beschaving en vooruitgang bracht, en dat de onafhankelijkheidsoorlogen niets anders waren dan wilde en gewelddadige opstanden.
In België leefden mensen jarenlang comfortabel terwijl in Congo een van de grootste genocides uit de geschiedenis plaatsvond. Men vertelde hen dat hun rijkdom uit Afrika kwam, maar dat daar niet veel geweld voor nodig was. In Nederland werd tot voor kort de koning nog ontvangen in een gouden koets met afbeeldingen van zwarte mensen die onderworpen waren. Ondanks veel kritiek blijven sommigen het Sinterklaasfeest verdedigen, waarin een witte bisschop aankomt met zwarte helpers. Ze zeggen dat de helpers zwart zijn door het roet in de schoorsteen, maar ondertussen worden ze vaak belachelijk gemaakt, terwijl de witte bisschop juist als wijs en goed wordt gezien.
Europa heeft de sporen van de Holocaust nog niet echt verwerkt en ziet de Verenigde Staten nog altijd als de grote held van de Tweede Wereldoorlog—terwijl de Sovjet-Unie in werkelijkheid een veel grotere rol speelde in de bevrijding van Europa. Tegelijkertijd slikken veel mensen hier kritiekloos het verhaal van Hollywood. Die zogenaamde bevrijding leidde uiteindelijk ook tot iets heel pijnlijks: de oprichting van de staat Israël op Palestijns grondgebied.
Gisteren, tijdens een herdenking van de Nakba (de verdrijving van Palestijnen in 1948), toonden we foto’s van verminkte kinderen. Iemand liep voorbij, hield zijn oren dicht en stapte over de foto's heen—alsof hij letterlijk over het verdriet heenliep. Dat zegt veel over het fascistische gedachtegoed dat hier jarenlang is gevoed.
Toch zie ik dat er langzaam iets verandert. Ik ben bij verschillende bijeenkomsten geweest van jongeren, sociale en politieke bewegingen die hun onvrede uitspreken. Dat is hoopvol. Steeds meer mensen beginnen te begrijpen dat de rijkdom van Europa voortkomt uit kolonialisme. Dat is een grote stap. Maar het volgende besef moet zijn: die welvaart is gebouwd op het leed en het bloed van andere volkeren.
In een gesprek met mijn familie—waarvan de meesten hier zijn opgegroeid, behalve mijn moeder en ik—zei iemand dat de kracht van deze samenleving ligt in het scheiden van emoties en handelen. In een ander gesprek vroeg een Nederlandse activiste waarom ik Chávez steun als ik uit Bolivia kom.
Individualisme is in dit systeem normaal geworden, maar het gaat eigenlijk tegen onze menselijke natuur in. Wij mensen zijn sociale wezens—wij hebben elkaar nodig. Een gezamenlijke strijd kan niet ontstaan vanuit uitsluiting, vanuit het idee van “ik” of “wij hier” tegenover “zij daar”. Als we echt verandering willen, moeten we samen strijden. En als ik wil meedoen aan de strijd hier, dan moet mijn eigen strijd—die van onderdrukte volkeren—ook gezien en erkend worden. We willen geen pleisters op onze wonden. We willen dat mensen echt stilstaan bij onze pijn. Alleen dan kunnen we samen verder.

